Weetjes van Kaarsen

Opbouw van een kaars.

De kaars bestaat uit;

  • een pit van katoen en
  • stearine, paraffine of een mengsel van beide
  • soms bijenwas.
De pit wordt gevlochten van gebleekte of ongebleekte katoenen garens, variërend van 4 tot 45 draden. Het vlechten vindt zodanig plaats dat de pit tijdens het branden naar één kant ombuigt en daardoor in het buitenste deel van de vlam verbrandt en zo op lengte wordt gehouden. Niet alleen is het van belang dat de pit gebogen brandt, ook gaat het om de snelheid, waarmee de pit brandt ten opzichte van de stearine of de was.
Om te snel branden van de pit te voorkomen wordt de pit behandeld met een mengsel van zouten, zogenoemde brandvertragende middelen. Ook verhinderen de genoemde zouten het nagloeien van de pit doordat zij deze afsluiten van de lucht. Verder dient de pit de stearine, paraffine en was goed op te zuigen.


 

Kaarsen en waxinelichtjes belicht.

Grondstoffen
Er zijn, ruw ingedeeld, drie grondstoffen waaruit kaarsen vervaardigd kunnen worden: stearine, paraffine en bijenwas. Paraffine is wat zachter dan stearine, zodat paraffinekaarsen bij een hogere temperatuur, bijvoorbeeld boven de kachel, eerder ombuigen dan stearinekaarsen. Ook is paraffine iets doorschijnender. Veel kaarsen zijn een mengsel van stearine en paraffine. De ondoorzichtige witte kaars is meestal grotendeels uit stearine vervaardigd. Daar stearinekaarsen minder snel ombuigen zijn ze geschikt voor op wat warmere plaatsen. Een kaars gemaakt van 100 procent bijenwas is een aantal malen duurder dan een stearine- of paraffinekaars. Een waskaars is te herkennen aan de speciale geur van bijenwas. Kaarsen van bijenwas komen niet zo veel meer voor maar zijn nog wel te koop.

De vorm
Kaarsen komen in allerlei vormen voor: lang, breed, in fantasiefiguren zoals dieren, kerstmannen, bierglazen en zelfs als vruchtenvlaaitjes. Bij de keuze van een afwijkende vorm moet bedacht worden dat te brede kaarsen niet optimaal branden. De warmte van de vlam reikt tot 31/2 cm. Bij een kaars die breder is dan 7 cm zal de buitenste rand van de kaars niet smelten. De kaars kan dan niet regelmatig opbranden. De buitenkant moet bijgesneden worden.

De kleur
Kaarsen kunnen op twee manieren van kleur worden voorzien. De ongekleurde kaars wordt gedompeld zodat alleen de buitenkant van de kaars een kleur krijgt. De grondstof zelf (stearine, paraffine of was) kan ook geverfd worden zodat de kaars van binnen en van buiten gekleurd is. Om teleurstelling na aankoop te voorkomen stelt het Keurmerkinstituut dat op de verpakking van gekleurde kaarsen vermeld moet worden of de binnenkant van de kaars gekleurd is.

Waxinelichtjes
Bij waxinelichtjes - ook wel theelichtjes genoemd - is de grondstof meestal paraffine. De pit/lont is op zo'n manier geprepareerd (vlechtwerk, hoogte, dikte) dat de lichtjes veel warmte kunnen geven. Daar zijn ze in eerste instantie voor bedoeld. Waxinelichtjes als sfeerlichtjes gebruiken, kan gevaren met zich meebrengen. Sommige sfeerlichtjes/houders kunnen niet goed tegen die hitte. En bij een beetje afgesloten houders kan de hitte zelfs zo hoog oplopen dat ze springen of dat er een brandje ontstaat.


Hoe een kaars te branden.


Er zijn slechte en goede kaarsen. Dat hangt niet alleen af van de grondstof en de vorm maar ook van het hele fabricageproces. Bij de keuze van kaarsen kun je dan ook alleen afgaan op het keurmerk 'Goedgekeurd Keurmerkinstituut', informatie op de verpakking of uw eigen ervaring. Verder kunt u zelf ook wat bijdragen aan de lichtende vreugd die een kaars kan geven. Hier wat tips:
- Kaarsen moet je loodrecht neerzetten op een plaats waar ze niets te duchten hebben van tocht of andere luchtverplaatsing (bijvoorbeeld als gevolg van de radiator of kachel)
- In tegenstelling tot wat veel mensen denken, moet een kaarsenpit krom staan. Dan brandt de pit het beste. De pit wordt vaak met opzet zo gevlochten dat hij krom trekt. Probeer niet daar verandering in aan te brengen.
- Kaarsen moeten niet te dicht op elkaar gezet worden. Door warmte en door luchtverplaatsing kunnen de kaarsen elkaar onderling beïnvloeden en onregelmatig gaan branden. Houd voor de zekerheid een onderlinge afstand van ca. 10 cm aan.
- Gaat de kaars roeten kijk dan of de kaars niet op de tocht staat. De pit kort houden tot ca. 1 cm kan ook helpen.
- Bij brede kaarsen (breder dan 7 cm) moet de rand van de kaars regelmatig bijgesneden worden.
- Het knetteren van de kaarsen kan door vocht veroorzaakt worden. Giet het vloeibare kaarsvet weg. Als dat niet helpt, snij dan het bovenste stukje van de kaars af. Houd daarbij wel een pit van ca. 1cm aan.


Kaarsen, brand ze veilig!


Om binnenbrandjes te voorkomen nog wat veiligheidstips:
- Kaarsen in de kerstboom, zeker met brandbare kerstversiering in de buurt, is gevaarlijk. Niet doen dus! De kans op brand is groot en dit soort branden is moeilijk zelf te blussen.
- Het gebruik van waxinelichtjes kan gevaar met zich meebrengen. Waxinelichtjes zijn bedoeld als theelichtjes en dienen dus vooral om iets te verwarmen. Sommige sfeerlichtjes/houders kunnen niet goed tegen die hitte. En bij een beetje afgesloten houders kan de hitte zelfs zo hoog oplopen dat ze springen of dat er een brandje ontstaat.
- Laat de kaarsen nooit zonder toezicht branden! Blijf er bij.
- Gebruik geen brandbare kandelaars en zet kaarsen niet te dicht bij brandbare materialen zoals gordijnen, kerststukjes e.d.
- De emmer zand of water in de hoek is niet meer van deze tijd. In iedere huishouding zou eigenlijk een brandblusser en rookmelder aanwezig moeten zijn. Dat is niet alleen verstandig als u kaarsen brandt, maar kan ook de schade van een keukenbrandje beperkt houden.
- Bij kaarsen met 'Goedgekeurd Keurmerkinstituut' staat informatie over veilig gebruik van kaarsen en waxinelichtjes op de verpakking. Dat is één van de keuringseisen. De andere eisen hebben onder meer betrekking op kwaliteit, samenstelling, brandgedrag, verpakking en ook op aankoopinformatie. Als bij een goedgekeurde kaars dus staat dat het aantal branduren ca. negen uur is, dan is dat ook onderzocht en 'waar' bevonden. Maar wees gewaarschuwd: een kaars op de tocht brandt een stuk minder lang


De bereiding van een kaars

De klassieke methode van kaarsbereiding is het dompelen. In de vijftiende eeuw wordt in Parijs het gieten van kaarsen geïntroduceerd. Tegenwoordig worden kaarsen meestal gegoten of geperst, maar ook het dompelen en handmatig vormen van kaarsen wordt nog toegepast.
Onze kaarsen worden gegoten in mallen van verschillende maten en materiaal. Afhankelijk van het type kaars wordt een specifieke mal gebruikt.

Dompelen 
De oudste methode om kaarsen te maken is het dompelen, ook wel tonken genoemd. De pit wordt door gesmolten was of vet getrokken. Na enige tijd uitharden volgt een tweede onderdompeling in de was of vet, waarna opnieuw uitgehard wordt. (De was of het vet stolt). Het proces wordt net zo lang herhaald tot de kaars de vereiste dikte heeft gekregen. De dompelmethode gaat terug naar de Romeinse tijd en was de belangrijkste bereidingsmethode van kaarsen in de Middeleeuwen en lang erna. Deze methode werd wel verbeterd. In een frame werden een aantal pitten evenwijdig aan elkaar bevestigd en tegelijkertijd in het vloeibare vet (of de was) gedompeld. Door het dompelen kunnen de kaarsen wat onregelmatig uitlopen, daarom worden de ondereinden van de kaarsen afgeknepen of afgesmolten.
Vroege gietmethoden 
In de vijftiende eeuw wordt voor het eerst in Parijs een gietvorm geïntroduceerd. Eerst houten vormen, later werden vormen van tin of ijzer gebruikt. Ze werden op een rijtje geplaatst, net als een rij orgelpijpen. In deze mallen worden de lonten gespannen en daarna het mengsel toegevoegd. Deze ambachtelijke methode wordt gebruikt voor de Pieternels kaarsen.

De meeste kaarsen worden machinaal gegoten in metalen vormen. De stearine (of een mengsel van stearine en paraffine) wordt gesmolten en in een grote bak gekoeld én geroerd, zogenaamd "koudgeroerd". Er ontstaat een kristalbrei, die door het roeren niet één grote klont kaarsvet wordt. Door deze methode worden fraai uitziende kaarsen verkregen.

Bij het gieten zijn twee typen machines in gebruik, de opdruk- en de optrekmachine.

Opdrukmachine 
Een opdrukmachine bestaat uit een grote platte bak met daarin de gietvormen. Om de vormen stroomt eerst warm, daarna koud water. De onderkant van de gietvormen is afgesloten door een zuiger (piston), die op en neer kan worden bewogen. Door de zuiger, die hol is, loopt de pit.
Het gieten van kaarsen bij de opdrukmachine gaat als volgt.
  1. De vormen worden voorverwarmd met warm water.
  2. Met de zuigers in de onderste stand worden ze volgegoten met kaarsvet. Het kaarsvet krimpt bij afkoelen; daarom wordt extra vet op de vormen gegoten.
  3. Hierna vervangt de kaarsenmaker het warme water door koud. Het kaarsvet wordt vast; het teveel aan vet wordt met een mes verwijderd.
  4. Als de kaarsen voldoende gestold zijn worden de zuigers omhooggetrokken. De zojuist gegoten kaarsen worden uit de vormen gedrukt en boven de machine vastgezet in een klemraam.
  5. Tegelijkertijd worden nieuwe pitten van de klossen omhooggetrokken.
  6. De pitten worden ingeklemd, de kaarsen afgesneden en nadat de zuigers weer in de onderste stand zijn gebracht kan het proces opnieuw beginnen.
In de opdrukmachine bevinden zich 300 - 600 vormen en er kan tot 4 maal per uur gegoten worden.
De kaarsen verkregen met een opdrukmachine zijn stomp.
Optrekmachine 
Gotische kaarsen worden verkregen met de optrekmachine. De kaarsen worden op dezelfde manier gegoten, alleen zijn de gietvormen nu aan de onderkant gesloten, uitgezonderd het gaatje, waar de pit doorheen loopt. Na het gieten worden de kaarsen aan de pitten omhooggetrokken. De gietvormen kunnen nu een zodanige vorm hebben, dat de gegoten kaarsen taps toelopende punten verkrijgen (gotische kaarsen).
Persmethode 
Uit poedervormige of korrelvormige grondstof kunnen kaarsen worden geperst. Voor het persen van gegranuleerd "kaarsvet" gebruikt men een extrusiepers (een soortgelijke pers als voor het maken van plastic voorwerpen). Het kaarsvet wordt door een sluitstuk geperst en zo ontstaat een "eindeloze" kaars. De kaarsen kunnen op iedere gewenste lengte afgesneden worden. De pit wordt tegelijkertijd mee in de kaars geperst of later in de kaars aangebracht.
Perskaarsen kan je makkelijk herkennen. Ze zijn vaak broos en eenvoudig te breken. De kaars zal dan poederig zijn. Een gegoten kaars breekt veel moeilijker en zal dan splinteren. Ook zit de lont niet vast in een geperste kaars. Verwijder maar eens de sticker aan de onderkant en je kan de lont er zo uit trekken. Bij een gegoten kaars is dat onmogelijk.
Trekmethode 
Op de trekbank worden ook "ellenlange" kaarsen gemaakt. De trekbank bestaat uit twee trommels, die om een as kunnen draaien. Tussen de trommels bevindt zich een bak met vloeibaar kaarsvet. De kaarsenpit wordt van de ene trommel via het kaarsvet op de andere trommel gewonden. Vervolgens wordt het proces in omgekeerde richting herhaald en het laagje kaarsvet om de pit neemt steeds toe. Als de gewenste dikte is bereikt worden de kaarsen in een bepaalde lengte gesneden en met een freesmachine van een kop en een voet voorzien.
Dompelmethode 
De vroegere dompelmethode (tonken) wordt nog steeds in de kaarsenfabriek toegepast, evenals het pure handwerk. Een handwerkkaars wordt gemaakt van een mengsel van bijenwas en paraffine, omdat die stoffen kneedbaar zijn.
handmatig 
Eerst wordt de "was" voorverwarmd. De kaarsenpit wordt horizontaal, enkele centimeters boven het tafelblad, gespannen. Wat voorverwarmde was wordt met de hand gekneed en om de pit gerold. Met de hand en later met een plankje wordt de kaars in de gewenste vorm gerold. De pitten worden losgeknipt en de kaars in water gedompeld om hard te worden.


 

Kaarsjesavond

Traditioneel wordt in Gouda op de tweede dinsdag in december kaarsjesavond gehouden, waarbij de binnenstad geheel met kaarsen verlicht wordt. Deze traditie wordt al tientallen jaren gehouden en trekt vele bezoekers. Ruim twintigduizend bezoekers uit binnen- en buitenland vierden in 2003 de traditionele Kaarsjesavond in Gouda.


Zelf kaarsen maken.

EERST PARAFFINE SMELTEN
Zet een blik met kaarsvet (minimaal tot de helft) in een grote pan met HEET WATER en verwarm dit op het vuur totdat het kaarsvet helemaal gesmolten is (ongeveer 65 graden). Rustig aan en geen haast maken. Kaarsvet heeft tijd nodig om te smelten.

Nooit en dan ook nooit kaarsvet rechtstreeks op het vuur verwarmen. Kaarsvet neemt meer hitte op dan bijvoorbeeld water en dus kan je jezelf lelijk verbranden. Vergelijk het maar met hete olie. Ook kan kaarsvet dan makkelijk in de brand vliegen. U bent gewaarschuwd!

Als het smelten gebeurd is kun je beginnen met het kaarsen maken.

Hier volgen de 2 belangrijkste methodes van het kaarsen maken:

1) DOMPELEN
Neem het stuk dunne lont en knip dat af op de lengte van de kaars die je wilt gaan maken + 3 cm extra. Maak hierin een lusje om de kaars aan op te hangen tijdens het drogen.
Laat nu het lontje voorzichtig in het kaarsvet zakken tot ongeveer 1 cm onder het lusje, haal de lont daarna omhoog en laat het uitlekken boven het blik. Na 1 minuut is de lont hard geworden, maar nu moet de kaars in 1 keer snel in het kaarsvet gedompeld worden en moet je hem er gelijk weer uithalen. Hierna weer 1 minuut wachten en dit net zolang herhalen tot de gewenste dikte.

Controleer steeds de temperatuur van het vet, komt er een vliesje op, dan is het te koud.
Worden de kaarsen aan de onderkant dunner dan aan de bovenkant, dan is het vet te heet of je houdt de kaars te lang in het vet.
Snijd nu de onderkant van de kaars recht af en hang hem weg om af te koelen.

2) GIETEN
Gieten kun je doen in allerlei vormen, bijvoorbeeld in jampotjes, blikjes, gebaksvormen etc.
Voor deze gietkaarsen gebruik je de dikkere lont dan bij het dompelen. Bekijk van tevoren waarin je wilt gaan gieten en knip dan de lont af op de hoogte van de vorm + 3 cm extra.

Dompel deze lont 1 of twee keer in het gesmolten vet en laat het afkoelen.
De lont wordt nu mooi hard en dat komst straks van pas.
Giet intussen wat kaarsvet in de vorm tot ongeveer 1cm onder de rand manier als voor het gewone gieten.

Als het vet in de vorm begint te stollen (er komt dan een vliesje op) kun je het inmiddels hard geworden lontje in het midden van de vorm steken.
Laat het vet nu helemaal koud worden, er ontstaat dan een kuiltje.
Giet hierna de vorm tot de rand toe vol, maar kijk uit dat de lont niet omvalt.

Als het vet helemaal afgekoeld is, is de kaars klaar en kun je hem uit de vorm halen of er gewoon in laten zitten.


DIKKE LONT
Je kunt een dikke lont gebruiken om dikkere kaarsen te dompelen, maar maak ze dan beslist niet dikker dan ca. 5 cm (de kaars zal dan heel erg slecht branden) en volg verder de aanwijzingen op als die voor de dunne dompelkaarsen.

Met een buitenlont kun je tuinpotten maken.
Doe dit op dezelfde manier als voor het gewone gieten.

Je kunt ook tuinfakkels maken door de buitenlont aan een stok te binden en deze een aantal keren in het vet te dopen.

ROLLEN, KNEDEN, SNIJDEN
Enkele niet zo veel toegepaste manieren zijn nog rollen van bijenwaskaarsen, kneden, ook meestal van bijenwas en dan uiteraard het aloude uitsnijden. Maar dit is erg tijdrovend.
Deze methodes zijn bij uitstek geschikt voor de echte doe-het-zelvers.
Gieten kun je als doe-het-zelver ook heel makkelijk doen in jampotjes, plastic buisjes of zelfs WC-rolletjes.  

Tot slot
Als je allerlei restjes kaarsvet door elkaar heen gooit zal het voorkomen dat de kaars niet mooi brandt.
Dit komt door het kwaliteitsverschil van de kaarsen. Kaarsen uit het verre oosten of uit de grote fabrieken, vaak in supermarkt of bouwmarkt verkocht, gebruiken zeker niet de fijnste grondstoffen. We hoeven je niet uit te leggen waarom deze kaarsen dan ook zo goedkoop zijn.
De kans is groot dat de kaarsen gaan lekken of de lont steeds maar verstopt of verdrinkt. Dit komt vaak door een verkeerde lont of doordat de kleurstoffen uit de restjes de lont verstoppen. Geverfde kaarsen of geperste kaarsen met alleen aan de buitenkant een harde kleur is vrijwel niet te hergebruiken. U kent ze wel, ze zijn goud of zilver of in plastic verpakt. De lont zal gegarandeerd verstoppen...

Nu we het toch over de lont hebben. Er zijn honderden soorten lont verkrijgbaar in allerlei diktes en maten. Al deze lonten hebben specifieke eigenschappen. Zo zijn er lonten voor binnen, voor buiten, voor mengsels, voor alleen stearine, voor bijenwas, platte lonten, ronde lonten etc etc.
Het vraagt heel veel experimenteren om vast te stellen welke lont bij welk mengsel en dikte de juiste is.
En dan nog de temperaturen. Vijf graden te warm of te koud zal al een groot verschil maken.

Natuurlijk is het leuk om hier mee te experimenteren en voor af een toe een kaarsje is dit alles geen probleem. Als het brand is het vaak al mooi.
Mocht je vaker kaarsen willen maken dan raden we aan om goede materialen te gebruiken. Het scheelt echt heel veel mislukkingen.
Het beste is om schone, en dus nieuwe, paraffine en stearine te gebruiken. Bij Pieternels zijn deze ingredienten, en dan de hoogste kwaliteit, voor een paar euro per kilo te koop. Kleurstoffen hebben we eventueel ook voor de serieuze hobbyist.

Onze recepten gaan we niet geven. Het heeft namelijk jaren inspanning gekost om goede basismengsels te krijgen, de huidige kleuren te mengen en de bijpassende lonten te selecteren. Dat houden we liever geheim zal u begrijpen.


VEILIGHEID BIJ HET KAARSENMAKEN
Laat kaarsvet ook nooit onbeheerd achter als het vuur nog aanstaat.
Kaarsvet heeft zelf-ontbranding, wat wil zeggen dat het ook in de brand vliegt als er geen spatje vuur of vonkje bijkomt.

Vliegt er onverhoopt toch een pannetje in de brand, doe er dan gelijk een deksel op, zodat er geen zuurstof bij kan komen en laat de deksel erop tot je zeker weet dat het vet behoorlijk afgekoeld is.
Vergeet ook uiteraard het vuur niet uit te doen!